In Den Haag wordt niet alleen beleid gemaakt, maar ook taal gewogen. Gisteren boog het ministerie van Binnenlandse Zaken zich urenlang over één woord: ‘tijdig’. Een term die in honderden documenten figureert, maar bij nadere beschouwing vooral verwarring zaait. Want wat is tijdig? Een deadline? Een intentie? Een gevoel?
Volgens een interne memo betekent ‘tijdig informeren’ voor sommige departementen “binnen enkele dagen”, terwijl anderen spreken van “een gevoel van urgentie dat zich niet laat vangen in uren”. Een beleidsadviseur noemde het treffend “een semantisch moeras waar deadlines verdwijnen als mist in de ochtendzon.”
De sessie eindigde zonder definitie, maar met het voornemen tot een werkgroep: Tijdigheid & Transparantie (TiTra). Die moet zich buigen over definities, gevoelswaarden en — jawel — een nationale Tijdigheidsindex. Een eerste concept luidt: “Tijdig is dat wat niet te laat voelt.” Poëtisch, maar beleidsmatig precair.
Critici vrezen dat TiTra zelf jaren nodig zal hebben om tot een tijdige conclusie te komen. “Als ze het rapport vóór 2030 indienen, noemen we dat voortvarend,” aldus een ambtenaar. Tot die tijd blijft ‘tijdig’ vooral een beleefde schijn van urgentie — een woord dat klinkt als actie, maar voelt als uitstel.
